• Live Magazine Web-app: Flanders Synergy

      Tijdens het Flanders Synergy Congress 2014 schreef ik voor de web-app van Live Magazines dit portret van Edwin Van Vlierberghe, directeur Bombardier Transportation Brugge, een artikel getiteld "Goesting als recept voor maatschappelijke verandering" en legde ik een debat vast tussen vakbond en werkgevers.


      gemaakt in 1 dag

      Column nummer 244 Sloopkogel

      Deze week overkwam mij iets opmerkelijks. Ik verbleef midden in het stedenbouwkundig inferno dat we hier in Arnhem de zuidelijke binnenstad noemen. In een restaurant op de begane grond van een van de portiekflats at ik gestoomde makreel met hazelnoten. Ik nam een hap van de makreel. En ineens overviel het me: ik beschouwde wederopbouwarchitectuur als iets geweldigs.

       

      Ik moest zelf ook erg aan het idee wennen. Mogelijk lag het aan het jaren vijftig interieur van het restaurant. Vanuit die ambiance zag ik alles ineens in het juiste perspectief. Ik keek uit het raam naar de portiekflat aan de overkant. Ik vond die flat ineens schitterend.

      Mogelijk heeft de sloopkogel die de afgelopen weken door het Paradijs zwierde er iets mee te maken. Pas als iets kapot gaat zie je er de waarde van in. De kunsthistorische waarde van de wederopbouwarchitectuur stelde ik tot voor kort gelijk aan het culinaire gehalte van een magnetronmaaltijd. Lag aan mij. Smaak moet je ontwikkelen. Al gaat dat niet op voor magnetronmaaltijden.

      Het Stadhuis heb ik leren waarderen. Ik had er aanvankelijk geen hoge pet van op. Zeker niet toen die marmeren gevelplaten er vanaf begonnen te vallen. 'Zo groot als grafzerken', meldde een nieuwsbericht destijds. Al had dat wel iets praktisch in het geval een voorbijganger er dodelijk door zou zijn getroffen. Hoe dan ook: sinds het oude marmer vervangen is door nieuw marmer staat het  Stadshuis te schitteren gelijk de ambtsketen van burgemeester Kaiser.

      Ik begin te overdrijven. Meer nog dan smaak is het een kwestie van erkenning. Die wederopbouwarchitectuur hoort bij Arnhem. Net zoals het bij Arnhem hoort om het vervolgens te willen slopen.

      (column Gelderlander 25/10/2014)

       

       

       

      lees verder
      i love wederopbouwarchitectuur

      Editoo Magazine Column over schrijven

      Wat de man met de hamer is voor de wielrenner is de interne criticus voor de schrijver. Want laat ik eerlijk zijn: soms voelt het schrijven van een tekst daadwerkelijk als het beklimmen van de Alp d'Heuz. Wielerliefhebbers die dit allemaal als aanstellerij afdoen, wijs ik er graag op dat het stijgingspercentage van een computerscherm 90% is. En ben je dan halverwege dan kan zo ineens die interne criticus opdoemen. Je denk plotsklaps: wat ik nu aan het schrijven ben lijkt helemaal nergens op. In het papierentijdperk was dat het moment dat het volgetikte vel papier in de prullenbak verdween. Tegenwoordig verkoop ik mijn toetsenbord een ram. Hij heeft een aluminium behuizing dus hij kan het hebben.

      Schrijven is een creatief proces. Zelfcensuur kan dat proces volledig lam leggen. Het is zaak die interne criticus te elimineren. Net als wielrenners dienen schrijvers daarom op hun voeding te letten. Wat je er in stopt komt er ook weer uit. Praat met mensen, kijk goed rond en lees goede boeken en tijdschriften. Wat dat oplevert? Materie voor een goed verhaal. De nodige trainingsarbeid doet de rest.

      We moeten die interne criticus ook weer niet uitvlakken. Dan mondt het schrijven uit in slap gelul. De legendarische Amerikaanse schrijver Hemingway vond dat een succesvol schrijver diende te beschikken over een bullshitdetector. Bij slappe praatjes moet er een alarmbel gaan rinkelen.

      Met dit advies moet je enige voorzichtigheid betrachten. Voor je het weet bezit je een interne Hemingway die bij alles wat je opschrijft de hele tijd fluistert wat een bullshit het wel niet is.

      Hemingway hield er van in de straten van Pamplona voor de stieren uit te rennen. Hij vocht in de Spaanse Burgeroorlog. Hij viste op zwaardvissen van vier meter. Dat is natuurlijk ook een manier om tot schrijven te komen. Jezelf in het avontuur storten. Of zoals ik dat doe: schrijven over de avonturen van een ander.

      lees verder
      titel: Alarmbel

      Go fill up the white space

      Voorgelezen tijdens Facing Pages 2014.

      Fill it up

      In this room are al lot of graphic designers. Don't raise your hands. I just know. A lot. I know what you look like. I'm no graphic designer. I'm a writer. You known what I think about graphic designers? Probably not. I think graphic designers are thiefs.

      Really, they are. They steal space. They say: that story of yours. It's too long. You have to cut out 500 words. You know what they put in place of these 500 words? White space. Or blown up typography. Or meaningless graphic figures.
      With gradient.

      I ask them this question:
      - I have to cut my story for white space?
      - Yes, they say. We make sure that your story will be read.
      We create space, for the reader, space to breeth.
      That's stupid, I tell them. Because stories need no space to breeth. Stories breeth on their own. Even more: stories are oxygen. Oxygen for the soul.  

      You know how I think about white space? White space suffocates content. When I tell them this, they just ignore it. You're a writer they say. You don't know what your talking about. And sometimes they say: Listen, the space, it's not white. We gave it a grey layer.

      White space, I hate it. Almost as much as grey layers.

      A collague of mine, he is a writer: you know what he says: cut your text in half, double your readers. You know why he says that? Because he rents a workplace at a greaphic design studio. He is indoctrinated. This is what graphic desgigners should do: Build a website. Make it a big one. And fill it up with white space. I don't give a damn. No problem at all. Pixels are free. But paper is another story. White space on paper is a waste. It's true. Open your eyes. You know I'm right.

      Look around. There's white space everywhere. We are surrounded by it. Everything is cut in half. Television is filled up with crap. To much stupid game shows, to much reality shows, to much meaningless people talking about meaningless things. To much white space.

      Readers love white space. They love white space like children love sugar. You know what's the problem with sugar? Little children want sugar. Candy, ice cream, popsicles, cake. Give little children a box of sugar canes and they start eating them. One after another. Hands full of sugar canes. And you know what they want after the sugar? More sugar. The more sugar you give them the more sugar they want. But sugar ruins their taste. Sugar drives them right into the greedy hands of McDonalds.

      White space is sugar. Readers are like little children. White space spoils them. White space doesn't make them smarter.
      White space is empty. It has no meaning. Stories have. Stories explain things. The best ones raise questions that makes you think.

      So fill up the white space.

      The best magazine article ever written: it's called "Frank Sinatra has a cold". It's about Frank Sinatra who has a cold. You should read it. Published in Esquire in 1966. Written by Gay Talese. You know how many words the story is? 15 thousand. That's a lot. That's like 15 magazine pages loaded with text. But it's worth every single page. Because it's a wonderful story. The voice has a cold and that changes everything. Makes you think about Frank Sinatra. Makes you think about music.
      Makes you think about America. That story. It's not sugar.

      It's a six course dinner in the best restaurant you can imagine. Look it up on the internet. It's free. Read it. And after you read it: Go fill up the white space.

      lees verder
      grafisch ontwerpers zijn dieven

      Het vrouwtje gaat zonder knolrapen naar huis

      Ik ga er van uit dat dit een Hongaars bankbiljet is. Magyar staat in mijn ogen toch voor Hongarije. Hoeveel 100 Hongaarse forinten waard zijn weet ik niet. Mogelijk een fortuin. Dat fortuin ligt dan gewoon maar wat op mijn bureau te slingeren. Hoe het biljet op mijn bureau gekomen is weet ik niet. Het ligt er al heel lang. Ik kan me niet eens een bureau voorstellen zonder 100 Hongaarse forinten erop. Mocht het biljet ineens weg zijn dan lig ik daar totaal niet wakker van – net zoals het feit dat dat biljet er op een dag ineens lag mij compleet onberoerd liet.


      Je moet het zo zien: op mijn bureau verzamelt zich van alles en een enkele keer verdwijnt er ook wel eens wat. Mij binden aan de objecten die erop liggen doe ik niet.
      Of ik het biljet van 100 Hongaarse forinten soms gebruik bij het schrijven? Wat denk je zelf? Zou ik het gebruiken? Nee. Als ik aan het schrijven ben dan ligt het daar maar wat. Soms kijk ik even naar dat portret van Kossuth Lajos – god mag weten wie hij is – maar nooit als ik aan het schrijven ben. Als je de smoel van Kossuth Lajos nodig hebt om iets goeds op papier te krijgen dan kun je beter wat anders gaan doen. Dat is mijn belangrijkste schrijfregel.

      Weet je trouwens wat het portret van Kossuth Lajos met me doet? Helemaal niets. Gelogen. Het roept medelijden in mij op. Ik denk: stakker, sta je daar verdomme op zo’n beduimeld biljet van 100 Hongaarse forinten, een beduimeld biljet van 1000 Hongaarse forinten was toch mooier geweest.

      Als je wil weten wat op de achterkant van het biljet van 100 Hongaarse forinten staat: op de achterkant van het biljet van 100 Hongaarse forinten staat een afbeelding van een hooiwagen met drie aangespannen paarden ervoor. Op de bok zitten een man en een vrouw. De man rost met een lange zweep die paarden af. De vrouw klampt zich aan hem vast. Ik heb er twee gedachtes bij. Gedachte één: is het voor een hooiwagen aanspannen van drie paarden niet wat overdreven? Gedachte twee: is het daadwerkelijk nodig die paarden met zo een lange zweep af te rossen? Op sommige dagen heb ik er deze gedachte bij: de man heeft haast, vind je het gek, een leger van moordzuchtige Krim-Tartaren zit hem op de hielen. Ros die paarden nog maar eens wat harder af, want je leven staat op het spel, jij onbekende man op de bok van die hooiwagen!

      Het volgende moment stel ik mij een oud Hongaars vrouwtje voor, kromgetrokken van de jicht en reuma. Haar armzalige staatspensioentje gaat volledig op aan de energierekening, huur, weet ik niet wat. Ze staat met haar laatste Hongaarse forinten bij de groenteboer en smeekt hem om een handjevol knolrapen. ‘Hoeveel kost het groenteboer?’ ‘300 Hongaarse forinten.’ Ze komt tekort. 100 Hongaarse forinten om precies te zijn. Het vrouwtje gaat zonder knolrapen naar huis. Noem je dat een huis? Het is eerder een hut, nee, een kot, nee, een soort van pallethout getimmerd hok zonder ramen. Er staat een krakkemikkig bed in, nee, er ligt een versleten matras op de grond, nee, alleen wat stro, vochtig stro. Ze gaat liggen op het stro en huilt een beetje.

      Wat ik voel als ik dat omaatje zo op dat vochtige stro zie liggen huilen? Denk ik soms: had zij dat biljet van 100 Hongaarse forinten maar gehad in plaats dat het hier wat op mijn bureau ligt te slingeren? Nee. Dat denk ik niet. Ik denk: Wat zou het, want ik kan dat omaatje in die hut zo laten omdraaien en dan iets in haar magere ribbenkast laten prikken. Ze schuift het stro aan de kant en begint met haar magere handen de grond weg te graven en hop, zij vindt vijf baren goud à raison de 35.000 euro p/s. Ze koopt meteen die knolrapen en weet ik niet wat nog meer.

      lees verder
      Verhaal voor de Kutgitaar

      previous1|2|3|4|5|6|7|8|9